“Je moet ‘gevaarlijk denken’.”
Niemand minder dan VPRO’s Frank Wiering vertelde donderdag 17 januari aan ons – masterclassers van Sandberg@Mediafonds – dat bovenstaande een belangrijke eigenschap is om origineel en nieuwsgierig te zijn, zeker voor de makers van ‘zijn’ Tegenlicht.
Ook andere sprekers als @casparsonnen (IDFA Doclab), @joostoranje (Nieuwsuur), @jburkunk (BNN Nieuwe Media) en @YoeriAlbrecht (De Balie) gaven ons food for thought met visies, trends, ideeën, tips en voorbeelden w.b. hun specifieke vakgebieden. Deze blogpost getuigt van het feit dat op deze dag de aanwezige personen en gesprekken me tot het volgende triggerden…

Zo’n gevaarlijke gedachte waar Wiering het over had, is bijvoorbeeld de vraag stellen wie er in Amerika baat heeft bij een nieuwe oorlog. Door deze methode te gebruiken werd o.a. de Carlyle group een interessant onderzoekssubject voor een Tegenlicht-aflevering.
Gevaarlijke Zweed?
Een ander gevaarlijk idee dat me triggerde: “De mens is op aarde om de technologie vooruit te helpen”. Het betreft hier een stelling van een Tegenlicht-journalist, die -zo vertelde Wiering- vervolgens in zijn onderzoek hiernaar stuitte op Nick Bostrom: een Zweedse wetenschapper en invloedrijke denker op het gebied van onze toekomst. Het is niet verwonderlijk dat Bostrom, o.a. directeur van Oxford’s Future of Humanity Institute, technologie een grote rol toedicht voor onze toekomst. Samen met o.a. Ray Kurzweil zit hij ook bij de ‘Humanity +‘-club, ‘dedicated to elevating the human condition‘. En om zogeheten ‘humans+‘ te kunnen worden, dienen we eerst een aantal middelen te hebben gerealiseerd. Welke middelen dat zijn ligt hij toe in deze TED talk uit 2005:
[youtube_sc url=”Yd9cf_vLviI” start=”362″]
Innovatie versus technologie
Maar technologie staat niet gelijk aan innovatie, zo leerde ik vorige week in The Economist, in het artikel ‘Innovation pessimism – Has the ideas machine broken down?’:
Innovation and technology, though talked of almost interchangeably, are not the same thing. Innovation is what people newly know how to do. Technology is what they are actually doing;
Alhoewel hier al de ‘what’- en ‘how’-vragen beantwoord worden, blijft de interessantste natuurlijk over: ‘why’. Waarom zal juist technologie ons helpen om waardevol te kunnen innoveren? Of, meer in Bostroms jargon: waarom is technologie de key-ingredient ‘to elevate the human condition’?
Toekomst van interactieve technologie
Die vraag is lastig en zeer beperkt te beantwoorden. Een groep technologie-enthousiasten (user experience en interaction designers) durft het echter wel aan. In de 18-minuten-durende documentaire Connecting vertellen zij over de toekomst van technologie en interactie:
[vimeo clip_id=52861634]
De 8 belangrijkste punten uit deze docu volgens Mark Wilson:
- Our phones demand too much attention, detracting from our real experiences.
- Analog metaphors are making less sense on digital devices.
- We’re waiting for new paradigms in experiencing media like text on screens.
- UX is a living, somewhat unpredictable thing. All experiences need to be fluid and flexible now.
- You shouldn’t just try to understand a product. You should try to understand its connected network.
- An “Internet of things”–countless connected sensors–is coming (and here).
- All of our information feeds into something larger than ourselves, a “superorganism” or “colony” of digital information.
- The hive mind got so big that greater Internet thought is now manifesting locally (think Egypt’s uprising or Occupy Wall Street).
Zo gesteld gaat de technologie van de toekomst ons helpen om de technologie van de toekomst niet te zien als technologie, maar wel als… ja, als wat eigenlijk? Technologie verweven met fysieke en digitale objecten. Technologie die leeft. In een ecosysteem, als superorganisme, ‘fluid & flexible’.
Ik vind dat we, nog voordat het grote publiek zover is, we ons als makers een paar vragen moeten stellen en mogelijke scenario’s dienen uit te denken. Hoe gaat die technologie zich dan manifesteren, hoe en waarmee gaat het ons dan precies helpen, wat zijn dan die ‘real experiences’, en: waarom willen we dit dan eigenlijk?
De interface als muur en masker
Zoals ook in ‘Connecting‘ wordt gezegd, zijn onze huidige interfaces en interacties nu voornamelijk gebaseerd op ‘pictures under glass‘. Toepassingen op onze nieuwste devices bestaan uit plaatjes, die we via aanraakschermen manipuleren met onze vingers – door bijv. afbeeldingen en teksten te swipen, te vergroten of verkleinen met een pinch, of te draaien met duim en wijsvinger. De meest gehypte en als succesvol beschouwde technologische toepassingen bevinden zich dan ook voornamelijk binnen een op pictures-under-glass gebaseerde, mobiele, interactieve context. Denk maar eens aan de economische en emotionele waarde die veel mensen hechten aan Facebook en Instagram.
Zo bezien is het niet verwonderlijk dat voor veel mensen technologische vooruitgang gelijk staat aan de introductie van Apple’s nieuwste apparaat of de nieuwste app in de Android Play Store. Vanuit een macro-innovatie-oogpunt erg teleurstellend, en verre van groots ook. Venture capitalist en technologisch durfondernemer Peter Thiel stelt:
‘we wilden vliegende auto’s; we kregen 140 characters.’
Naast het gegeven dat de hedendaagse technologische vooruitgang dus nogal teleurstelt (zie voor argumentatie en cijfers het eerder genoemde Economist-artikel), is de impact die al die schermen op ons gedrag hebben voor veel mensen verre van aangenaam. Steeds meer geven we een signifcant deel van onze aandacht aan (toepassingen op) mobile devices. Terwijl we dit doen zijn onze gezichten letterlijk ‘afgeschermd’. Voor aanwezigen in dezelfde ruimte vormen onze laptops, smartphones, tablets en pc’s een muur die willekeurige en reguliere interacties in de wegstaat; voor onszelf verworden de toepassingen binnen die schermen een masker waarachter we onszelf verbergen of selectief beter of anders voordoen. Lees het laatste werk van Howard Rheingold – Net Smart – en Sherry Turkle – Alone Together- maar eens. En ter vermaak misschien ook nog Andrew Keen’s laatste boek.
Gevaarlijke interfaces
Dit brengt me tot mijn eigen gevaarlijke vragen:
- Wat als de technologie -straks nog alomtegenwoordiger en zowel im- als explicieter aanwezig- nog meer van onze aandacht opeist?
- Wat als de interactieve interface tot onze enige ‘window on the world’ verwordt?
- Wat als de interface steeds meer verinnerlijkt – nog meer individueel op ons toespitst? Denk aan profilering en personalisering, al data-genererend en input verkrijgend via onze devices en objecten vol met sensoren die licht, geluid, temperatuur, snelheid, locatie, hartslag, bloedwaarde, urine, etc van ons en onze omgeving meten en opslaan.
Inner- en outerfaces als denkkader
Om bovenstaande vragen te beantwoorden heb ik een kader nodig. Laten we de hierboven geschetste innerlijke interface ‘the innerface’ noemen. En de tegenhanger dopen we ‘the outerface’.
Voor alle duidelijkheid: een interface is de manier waarop de gebruiker met een computersysteem communiceert.
De innerface is de representatie-resultante van een systeem aan de gebruiker, waarbij het systeem in staat is zich zo optimaal mogelijk aan te passen aan een gebruiker. De innerface manifesteert zich middels im- en expliciete interacties tussen een gebruiker en decentraal systeem in een ruimte met digitale, virtuele en/of fysieke objecten in de nabijheid van de gebruiker. Deze interacties en manifestaties zijn voornamelijk relevant en zoveel mogelijk gericht op een enkele, specifieke gebruiker.
Tegelijkertijd met de innerface ontstaat de outerface: de voor derden waarneembare effecten en representatie(s) van die interacties door een specifieke gebruiker met een decentraal systeem – kortweg: andermans innerface. De outerface is een constant fluid, flexible, organic product van waarneembare transities en interacties tussen een specifieke gebruiker en het systeem, zowel in vorm en inhoud van objecten, materialen, kleuren, schermen of andere fysieke elementen in de ruimte.
Scenario’s die passen bij de innerface-toekomst worden overal geschetst. Die toekomst is al lang en breed voorstelbaar, getuige de fragmenten in de Connecting-docu en toekomstfilms van o.a. Microsoft, Nokia en Corning.
Mijn gevaarlijke vragen zijn nu de volgende:
- Hoe kunnen we de outerface zodanig beïnvloeden, manipuleren en vormgeven dat er voor een zo relevante mogelijke groep mensen waardevolle contextuele interacties kunnen ontstaan en/of blijven bestaan?
- Als we niet de gebruiker als uitgangspunt nemen, maar juist het ecosysteem waarbinnen hij/zij, derden en al hun eventuele innerfaces zich gezamenlijk tot elkaar verhouden, wat levert dat dan op in denken over real experiences?
Nu nog even kijken hoe gevaarlijk het is om in dit scenario liquide journalistiek een rol te geven…

Reacties zijn gesloten.